; Project De Grote Beek | Struikelstenen

“Ik heb geen joden, alleen maar patiënten”

Dokter Mooij

Joodse slachtoffers van het Rijks Krankzinnigen Gesticht

Op 10 mei 2009 plaatste Gunter Demnig, 24 struikelstenen op het landgoed De Grote Beek. (De huidige naam van het R.K.G. Rijks Krankzinnigen Gesticht) Want ook het toenmalige Rijks Krankzinnigen Gesticht, kende zijn slachtoffers die niet vergeten mochten worden.

Vóór de oorlog was er in het gesticht ruim plaats voor de joodse patiënten. Ze hadden de beschikking over een eigen keuken, waar koosjer gekookt werd. Ze hadden hun eigen geestelijk verzorger en werden in staat gesteld om wekelijks de synagoge in Eindhoven te bezoeken. Ze hadden ook een aparte plaats op de gestichtsbegraafplaats. Ze hadden, kortom, een geheel eigen plek in de gestichtsgemeenschap aan de Boschdijk in Woensel. Aan die traditie kwam op 14 maart 1944 een abrupt einde.

In 2009 honoreerde de Raad van bestuur van de Geestelijke Gezondheidszorg Eindhoven een initiatief van het Cliënten Belangen Bureau om de gestichtsbegraafplaats te ‘rehabiliteren’. Alle namen van mensen, die daar begraven liggen, kregen een plaats op het prachtige monument dat de kunstenaar Jacques van Erven maakte. Maar met de onthulling van het monument was de rehabilitatie nog niet voltooid. De namen van de vierentwintig weggevoerde Joodse patiënten een plaats geven zou pas recht doen aan hun lot. Daaruit ontstond de idee voor de Stolpersteine.

Onder toeziend oog van opperrabbijn Binyomin Jacobs knielde Gunter Demnig om de 24 kasseien in het plaveisel van het laantje van perelaars te plaatsen. In groepen van drie plaatste hij ze, met een vakmanschap en toewijding die velen ontroerde. Iedere groep van drie namen wed afgesloten door een fragment van het verhaal over die ingrijpende 13e en 14e maart 1944 en het lot van de 24 weggevoerde joodse patiënten, wisselend voorgedragen door een lid van de werkgroep Stolpersteine.

Daarna moest Gunter Demnig al weer vertrekken. In Antwerpen wachtte hem die middag weer een aantal Stolpersteine om geplaatst te worden. Hij werkt aan de zichzelf opgelegde taak, in het besef dat die taak voorbestemd zal zijn om unvollendet te blijven …

Het verhaal achter de Struikelstenen en het Rijks Krankzinnigen Gesticht

Vóór de oorlog is er in het Rijks Krankzinnigen Gesticht (Tegenwoordig GGZ Grote Beek) ruim plaats voor de joodse patiënten. Ze hebben de beschikking over een eigen keuken, waar koosjer gekookt wordt. Ze hebben hun eigen geestelijk verzorger en worden in staat gesteld om wekelijks de synagoge in Eindhoven te bezoeken. Ze hebben ook een aparte plaats op het gestichtskerkhof. Ze hebben, kortom, een geheel eigen plek in de gestichtsgemeenschap aan de Boschdijk in Woensel. Aan die traditie komt op 14 maart 1944 een abrupt einde.

Op 13 maart 1944, zo tegen het avondeten, krijgt geneesheer-directeur Mooij van het Rijks Krankzinnigen Gesticht twee leden van de Duitse Sicherheitsdienst op bezoek. Ze komen vier joodse patiënten ophalen. Het gaat om patiënten die voor rekening van de gemeente Amsterdam verpleegd worden. In aanwezigheid van zijn stafleden, de doktoren Ruiter, Tiggelaar, De Regt en Flohil, wordt Mooij gesommeerd de vier joden over te dragen. Dokter Mooij antwoordt: “Ik heb geen joden, alleen maar patiënten”.

Hieronder het verhaal van dit verloop:

Hij weigert iedere medewerking en beroept zich op zijn ambtseed en gewetensbezwaren. Ook zijn stafleden scharen zich achter hem. Mooij wordt daarop gearresteerd en later afgevoerd naar het politiebureau. De achtergebleven geneesheren volharden eveneens in hun weigering. Tiggelaar wordt te verstaan gegeven dat men de volgende dag zal terugkeren en dat, in het geval er ook maar één jood mocht zijn verdwenen, zijn gezin in gijzeling genomen wordt.
Van Houten, die werkzaam is op de patiëntenadministratie, weigert gegevens te verstrekken en wordt eveneens gevankelijk afgevoerd, doch later op de avond weer vrijgelaten.
Tiggelaar, blijkbaar onder de indruk van het dreigement, roept de hoofden van dienst bijeen en drukt hen op het hart ervoor te zorgen dat geen van de patiënten wegloopt. De volgende ochtend, rond de klok van elf, komt de Sicherheitsdienst met groot vertoon van macht terug.
Het administratiegebouw wordt afgegrendeld en bezet door leden van de Sicherheitsdienst, aangevuld met leden van de burgerwacht.
Opnieuw worden de achtergebleven geneesheren gesommeerd de namen vrij te geven en de joodse patiënten over te dragen. Het gaat nu niet meer om de vier joodse patiënten die voor rekening van de gemeente Amsterdam verpleegd worden, maar om àlle joodse patiënten.
Ruiter, Tiggelaar, De Regt en Flohil volharden in hun weigering om gegevens te verstrekken.
Daarop bezetten leden van de Sicherheitsdienst het administratiekantoor en dwingen, met getrokken pistool, het aanwezige personeel de met ‘J’ gemerkte registratiekaarten te overhandigen. Kampers, werkzaam op de loonadministratie, maar toevallig in het administratiekantoor aanwezig, zegt van niets te weten. Zijn houding wordt uitgelegd als weigering en ook hij wordt gearresteerd. Onder begeleiding van twee burgerwachten wordt hij afgevoerd naar het politiebureau.
De Sicherheitsdienst doorzoekt nu zelf de kaartenbakken en haalt er de met ‘J’ gemerkte kaarten uit. Daarop begeeft men zich naar de paviljoens en dwingt de personeelsleden door hen het pistool op de borst te zetten, de betreffende patiënten aan te wijzen. Vierentwintig joodse patiënten worden op die manier bijeen gedreven en naar het hoofdgebouw gebracht, waar ze gedwongen worden in een gereedstaande overvalwagen te stappen. Onder hen zijn twee mensen die bedverpleging behoeven. Een man van 79 en een patiënt met een actief tuberculeus longproces.
Een joodse patiënte ziet men over het hoofd. Maupie. En Maupie wil ook mee. Want Maupie meent dat het om een busreisje gaat.
“Maupie wil ook mee, Maupie wil ook mee”, roept ze luid en verontwaardigd. Zuster Noor, anders de rust en vriendelijkheid zelve, kletst haar hard om de oren, dat ze haar mond moet houden. Verbaasd houdt Maupie zich stil.

Op die donkere ochtend van de 14e maart 1944 wordt het gesticht geconfronteerd met de bezetting en met het feit dat er zomaar patiënten aan de zorg van het gesticht onttrokken kunnen worden, omdat er zoiets bestaat als een rassenwet. Vierentwintig patiënten, slachtoffers van de Duitse rassenwaan, worden afgevoerd met aanvankelijk onbekende bestemming. Later blijkt de bestemming Westerbork te zijn.
Eén patiënt wordt later teruggestuurd, omdat hij, wrang genoeg, niet voldoende joods was in de zin van de Duitse rassenwet.
Van de anderen wordt niets meer vernomen, maar men kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat zij het verschrikkelijke lot hebben gedeeld van de talloze joodse landgenoten die omkwamen in de Duitse vernietigingskampen. Alleen van één van de patiënten, met de naam De Hond, weet een aantekening in een dossier te melden dat hij op 26 januari 1945 in het kamp Buchenwald is overleden.
Wat blijft is de lijst met namen en registratienummers en de datum van ‘uitschrijving’. Een onbekend gebleven ambtenaar heeft zijn machteloze woede over deze misdaad uitgedrukt door in de kolom ‘Datum van uitschrijving’ “ONTVOERD op 14-3-‘44” te schrijven.
De heldhaftige houding van Mooij heeft niet mogen baten. Hij moet zijn principiële opstelling bekopen met een half jaar detentie in het kamp Vught. Kampers wordt zes weken op het politiebureau vastgehouden. Als Mooij eindelijk wordt vrijgelaten en (met kaalgeschoren hoofd) zijn werk kan hervatten, zijn de patiënten voor wier lot hij zich persoonlijk verantwoordelijk achtte, er niet meer.
De bevrijding is op komst. De aandacht wordt weer opgeëist door de talloze problemen die zich voor een gesticht in bezettingstijd aandienen.
Voor zover bekend zijn de vierentwintig joodse patiënten de enige slachtoffers van het gesticht in de bezettingsperiode.

De geestelijk verzorger van de joodse patiënten, die, net als één van hen, Frank heet, verdwijnt al in 1943. Voor zijn lot wordt aanvankelijk gevreesd. Later, tijdens de bevrijding, blijkt dat hij zich aan deportatie had weten te onttrekken door onder te duiken. Na de oorlog hervat hij zijn taak als geestelijk verzorger van de joodse patiënten die uit de kampen zijn teruggekomen.

Voor deze Joodse slachtoffers zijn op het terrein zogenaamde Stolpersteine geplaatst, herdenkingsstenen van Joodse inwoners die gedeporteerd en vermoord zijn.

Share This